zaterdag 7 juni 2008

Later, hoofdstuk 1

Vroeger was er de muur. Een echte muur van steen, dus niet zoiets als waarachter sommigen zich menen te moeten verschuilen, waarmee ik helaas zo vaak in "contact" moest komen. Ik was nog te klein om een blik te kunnen werpen achter de omheining van witte stenen; dat liet mijn fantasie de vrije loop. Dus was ik er zeker van dat het mooi was achter de muur, waar het kasteel zich bevond waarin jij en ik later zouden gaan wonen. Het was er vol kleur, veel bomen en planten en het regende er maar zelden. Meestal scheen de zon. Vaak dacht ik positief.

Ik was als kind druk, maar niet onrustig; brutaal, maar soms erg verlegen en ik kende een zekere angst voor wat er zou gaan komen. Niet dat ik echt duidelijk door de toekomst werd bevreesd, maar ik wilde er zeker van zijn dat wanneer ik iets als prettig ervoer, het voorlopig nog even zou voortduren. Eigenlijk is dat nooit echt veranderd, eerder toegenomen in sterkte; al kwam het dan vooral in kleine dingen tot uiting. Wanneer ik middenin een film of serie op tv viel, dan moest en zou ik weten tot hoe laat de uitzending zou duren, om niet te worden overvallen door het einde. Ik had al eens een zure inval van het einde moeten doorstaan en daar kon werkelijk niets meer bij; zelfs niet zoiets onbenulligs als een serie op tv. En dus zeker geen zaken die er werke­lijk toe deden.
Toch was de toekomst, ondanks alle vrees, vroeger nog iets om naar uit te kijken; al was het alleen maar omdat het nooit zo erg kon zijn zoals ik mij het in mijn meest sombere momenten had voorgesteld. Misschien was juist deze gedachtengang er wel debet aan dat het leven veranderde van iets dat moeilijk was tot iets ondraaglijks. Alsof iedere uitdaging stilzwijgend de vorm van een beproeving aannam, wat mij onrustig en op ten duur ook onzeker maakte.
Vroeger. De zon scheen dwars door de wolken, door geen wolkbreuk af te stoppen. De zonsverduistering liet op zich wachten, maar voor hoe lang nog? Ik telde de kleuren van de regenboog, al was het alleen maar om mij af te sluiten van het onheilspellende gevoel dat zich meer en meer aan mij opdrong. De zorgen voor later?

Vroeger. Alles was vroeger, het nu was iets dat geen toekomst meer had omdat het nu oneindig was; voor altijd nu, geen later meer.
Nogmaals. Nog maar een keer van beneden naar boven, het pad volgend; rusteloos en moe. Nog eens het pad zonder einde bewandelen, omdat ik geen idee had wat mij te doen stond. Ik romanticeerde dood door verdrinking, omdat ik niets liever wilde dan verzuipen in nostalgie; veilig schuilend in gedachten van toen.
Vroeger was het leven aangenaam en de moeite van het op zich moeizame bestaan meer dan waard. Ik voelde mij verloren. Het water lonkte.

Lucille klopte het beddengoed uit. De blauwe deken bleef uren uit het raam bungelen en om de paar minuten verscheen Lucille in het kozijn; was ze bang dat de wind haar dekens vleugels zou bezorgen? Kon ze mij vanuit haar vesting, schuin tegenover mijn huis en iets hoger gelegen dan waar ik mij bevond, zien zitten achter mijn bureau?
In de zomer zat ze vaak in het raamkozijn; meestal in een boek verdiept of werd ze in beslag genomen door muziek die ze op had staan en waarvan de buurt mocht meegenieten.
Later op de dag waren de deken en de kleding, die ze er bij had gehangen op een moment dat ik even haar raam niet gade sloeg, verdwenen zonder dat ik ook maar een glimp van Lucille had kunnen opvangen. Het was al donker geworden; de dagen werden steeds korter. Was ik dan toch niet louter met haar doen en laten begaan?
Ze woonde schuin tegenover mij. We hadden kennis gemaakt in de tijd dat zij als Lucy Lee nog furore maakte als danseres, maar we spraken elkaar nog maar zelden. Pas nadat ik enige maanden vlakbij haar woonde was het haar opgevallen dat we een soort buren waren, terwijl ik vanaf de eerste dag dat ik mijn nieuwe woning betrok had geweten dat Lucille in de buurt was. Ik had namelijk de gewoonte mijn woonomgeving af te klotsen en zowat niets ontging mij dan ook.

Toch ging het leven meer en meer aan mij voorbij zonder dat ik er zelf actief aan deelnam; althans, niet actiever dan waartoe ik min of meer werd gedwongen. Het liefst had ik als kluizenaar aan de maatschappij deelgenomen omdat het bestaan voor mij een lang en verplicht nummer was en meestal was ik het leven dan ook meer dan zat.
Lucille was levendig en leek door werkelijk niets uit haar goede humeur te kunnen vallen, maar de momenten waarop ze triest was waren dan ook even hardnekkig als zeldzaam. Op het eerste oog was ze nog immer de lachende dame die zelfbewust, en even zozeer verzekerd, van dag tot dag leefde; schijnbaar los van twijfel en angst. Toch was ze diep gevallen toen ze had begrepen dat haar danscarriere over was. Nooit meer het applaus, geen spotlights meer; wat zou er nog over blijven van de adoratie dat ooit de schijn van eeuwig geluk teweeg had gebracht? En dat allemaal vanwege een zwak gestel; haaks staand op haar rotsvaste ambitie de wereld te veroveren.
Ik durfde haar niet te benaderen en was eigenlijk maar wat blij met het gegeven dat ze mij niet meer zag staan. Of was ze te zeer ingenomen met haar nieuwe leven; had ze welde­elijk berust in het lot en was ze in staat geweest iets nieuws op te bouwen? Zonder dans, maar ook zonder alles en iedereen dat haar naar die tijd zou doen verlangen? Misschien was ze mij wel gewoon vergeten. Een anonieme wederzijdse groet, vervuld van louter oppervlakkigheid; dat was het. Meer niet. Niet meer.

Regen. De druppels, ontsproten uit ontevredenheid, op jouw gezicht als ware het mijn spiegelbeeld. We leken nogal op elkaar. Maar jij zou er mee overweg kunnen. Jij zou iedere teleurstelling, hoe groot en overdonderend dan ook, wel weer te boven zijn gekomen. Ik niet. Wat dat betreft had ik niet genoeg jouw evenbeeld kunnen zijn. Alles wat nog is, is tot een illusie gereduceerd; mijn droom om ooit weer samen te zijn.

In het zonlicht kwam Lucy Lee weer een beetje tot leven, al deed Lucille er werkelijk alles aan om juist dat te verhullen; toch was zelfs haar droom niet zo onmogelijk als die van mij.
Vroeger. Voor anderen slechts een klein deel van het leven; voor mij waren het prachtige jaren en mijn bestaan was ooit wreed verstoord door het lot: het verstrijken der tijd.

Uren kon ik naar de wolken kijken. Soms verwachtte ik zowaar dat jij ieder moment tevoorschijn kon komen en leek het pluizige luchtschap even heel dichtbij, maar telkens werd mijn dagdroom verstoord door een harde windvlaag; veroorzaakt door de even stormachtige als trieste realiteit. Wat was het leven toch zinloos zonder jou.
Je had de eeuwige jeugd verkregen. Wellicht voelde ik mij daarom maar al te vaak een kind dat in een volwassen lichaam gevangen werd gehouden; totaal niet in staat te leven als een man. Ik voelde mij een weerloos joch, losgelaten in een wereld die mij steeds vreemder voor kwam en met de jaren nam de behoefte te vluchten toe; maar waar moest ik naartoe? Ik wilde weer bij jou zijn, maar geloofde niet dat ik ons weerzien zou kunnen afdwingen. Daarom werd ik ouder. In eenzaamheid?

Waarom kon alles waarover ik mij zorgen pleegde te moeten maken niet iets voor later zijn? Waarom moest wat voor mij bij voorkeur altijd later was gebleven het heden zijn? Hoe erg zou het allemaal nog kunnen worden en hoe lang zou ik het nog moeten ondergaan?

Geen opmerkingen: